Appellant, werkzaam als hoofd technische dienst, viel uit wegens gewrichts- en pijnklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV liet een arts en een arbeidsdeskundige onderzoek doen, waarbij geen lichamelijk onderzoek plaatsvond. De arts concludeerde dat appellant met fibromyalgie aspecifieke klachten had maar in staat was tot licht, afwisselend werk. De arbeidsdeskundige achtte appellant geschikt voor enkele voorbeeldfuncties met nihil arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees de uitkering af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank onderschreef dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende was omdat geen lichamelijk onderzoek was verricht en belangrijke beperkingen, zoals concentratieproblemen, hoofdpijn en handfunctieproblemen, niet waren meegenomen. Ook verwees hij naar eerdere medische rapporten die niet waren betrokken. De Raad concludeerde dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek en onvoldoende motivering over de fysieke belastbaarheid de besluitvorming onvoldoende zorgvuldig maken en in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.
De Raad draagt het UWV op binnen zes weken de gebreken in het besluit te herstellen, zodat een zorgvuldige en op de individuele situatie toegesneden beoordeling kan plaatsvinden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 december 2015.