ECLI:NL:CRVB:2015:464
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat bestuursrechtelijke premie niet vatbaar is voor bezwaar en beroep
Het Zorginstituut heeft bepaald dat verzoekster vanaf juni 2014 een bestuursrechtelijke premie moet betalen, ingehouden op haar uitkering. Verzoekster voerde aan dat zij geen betalingsachterstand had bij haar zorgverzekeraar en daarom de premie niet verschuldigd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster ongegrond omdat besluiten over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat verzoekster zich moet wenden tot haar zorgverzekeraar of de Geschillencommissie zorgverzekeringen voor haar betwisting van de wanbetalersstatus.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 13 februari 2015.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat tegen het besluit over de bestuursrechtelijke premie geen bezwaar en beroep mogelijk is.