ECLI:NL:CRVB:2015:4612
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding opname verzorgingshuis en uitbreiding huishoudelijke hulp Wuv
Appellant, geboren in 1936 en uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht in januari 2013 om vergoeding van opname en verblijf in een verzorgingshuis, inclusief verhuiskosten, en om uitbreiding van huishoudelijke hulp tot meer dan één dagdeel per week. Verweerder wees deze verzoeken af omdat de voorzieningen niet medisch noodzakelijk zijn en appellant nog in staat wordt geacht lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.
De Raad beoordeelde de medische gegevens, waaronder rapporten van geneeskundig adviseurs en een door appellant zelf ingeschakeld arts. Hieruit bleek dat appellant ondanks zijn psychische klachten goed functioneerde en dat de verhuizing naar een verzorgingshuis een preventieve maatregel betreft, niet medisch geïndiceerd. Ook was er geen medische noodzaak voor uitbreiding van huishoudelijke hulp, aangezien geen sprake was van zelfverwaarlozing of chaotisch gedrag.
Gezien het ontbreken van medische indicatie handhaafde de Raad het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot vergoeding van opname in een verzorgingshuis en uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt gehandhaafd.