ECLI:NL:CRVB:2015:4607
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wubo-uitkering wegens onvoldoende blijvende invaliditeit na oorlogsgeweld
Betrokkene, geboren in 1942 en overleden in december 2013, diende een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hoewel erkend werd dat betrokkene oorlogsgeweld had meegemaakt tijdens internering in Japanse kampen, werd de aanvraag voor een periodieke uitkering afgewezen omdat de psychische klachten (PTSS-kenmerken) niet leidden tot blijvende invaliditeit volgens de Wubo-criteria. De lichamelijke klachten werden niet toegeschreven aan het oorlogsgeweld.
De Raad toetste het besluit op basis van medisch advies van twee geneeskundig adviseurs, die concludeerden dat betrokkene geen beperkingen had in ten minste twee van de vier AMA-rubrieken die bepalend zijn voor blijvende invaliditeit. Er waren geen nieuwe medische feiten die aanleiding gaven tot heroverweging. Ook de lichamelijke klachten konden niet aan het oorlogsgeweld worden toegeschreven, ondanks het sociaal rapport dat eerdere infectieziekten vermeldde.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard.