ECLI:NL:CRVB:2015:4601
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering niet-verantwoord persoonsgebonden budget AWBZ ondanks betalingsonmacht
Appellant ontving in 2012 een persoonsgebonden budget (PGB) van €9.172,20 op grond van de AWBZ. Het Zorgkantoor stelde het PGB later vast op €3.403,50 en vorderde €5.768,70 terug wegens niet-verantwoorde besteding.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat een deel van het geld was gestolen en een ander deel was besteed aan verhuizing, en verzocht om afbetaling in termijnen vanwege beslaglegging op zijn uitkering. Het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat appellant de besteding over de tweede helft van 2012 niet had verantwoord.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het teveel betaalde bedrag terugvorderde, ook gezien het ontbreken van recht op dat geld. In hoger beroep voerde appellant onvoldoende financiële draagkracht aan, maar het Zorgkantoor had het openstaande bedrag wegens oninbaarheid afgeboekt.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor bij terugvordering een evenredige belangenafweging moet maken, maar dat onvoldoende draagkracht geen reden is om af te zien van terugvordering. De bescherming van de beslagvrije voet moet worden gerespecteerd bij inning. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het niet-verantwoord PGB en wijst het hoger beroep af.