ECLI:NL:CRVB:2015:4583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen terugvordering persoonsgebonden budget
Het Zorgkantoor verleende appellant een persoonsgebonden budget (pgb) voor 2012, dat later werd vastgesteld op een lager bedrag, waarna een terugvordering volgde. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet binnen de wettelijke termijn was ingediend en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het besluit terecht naar het laatst bekende adres van appellant was verzonden en dat appellant geen expliciete toezegging had gekregen dat het bezwaar alsnog inhoudelijk zou worden behandeld. Ook was appellant geacht tijdig iemand in te schakelen om het bezwaar te maken, ondanks zijn psychische problemen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er wel een toezegging was en dat hij door zijn psychische problemen niet in staat was tijdig bezwaar te maken of iemand in te schakelen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het bezwaar op juiste wijze bekend was gemaakt en dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die tot een ander oordeel konden leiden.
De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde de uitspraak dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen de terugvordering van het persoonsgebonden budget wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen zonder verschoonbare reden.