ECLI:NL:CRVB:2015:4580

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2015
Publicatiedatum
16 december 2015
Zaaknummer
14/6066 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij bestuursrechtelijke premie

Appellante was het niet eens met het besluit van het Zorginstituut waarin zij een bestuursrechtelijke premie werd opgelegd vanaf december 2013. Zij maakte bezwaar tegen dit besluit, maar haar beroepschrift bevatte geen gronden. De rechtbank stelde haar in de gelegenheid om dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar de aanvullende beroepsgronden werden pas na deze termijn ingediend.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van de beroepsgronden. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij belang had bij een inhoudelijke behandeling omdat de gronden alsnog tijdig werden ingediend voor de zitting, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank in redelijkheid haar bevoegdheid tot niet-ontvankelijkheid kon toepassen.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen van beroepsgronden.

Uitspraak

14/6066 ZVW
Datum uitspraak: 16 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2014, 14/4742 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Namens appellante heeft mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 20 november 2013 heeft het Zorginstituut bepaald dat appellante met ingang van de maand december 2013 een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is. Daarbij is meegedeeld dat deze premie wordt ingehouden op de uitkering die appellante geniet.
1.2.
Appellante heeft tegen het besluit van 20 november 2013 bezwaar gemaakt.
1.3.
Het Zorginstituut heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 26 juni 2014 (bestreden besluit), voor zover het bezwaar niet is gericht tegen de verschuldigdheid en/of de hoogte van de bestuursrechtelijke premie, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit
niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ingediende beroepschrift geen beroepsgronden bevat, dat appellante bij per fax verzonden brief van
4 augustus 2014 in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken dit verzuim te herstellen, dat deze fax deugdelijk naar het door de gemachtigde van appellante opgegeven faxnummer is verzonden en dat appellante geen gemotiveerd verzoek om uitstel heeft gedaan. Nu eerst bij brief van 26 september 2014 de beroepsgronden zijn ontvangen, heeft appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn beroepsgronden ingediend. De enkele niet onderbouwde stelling dat het faxbericht van 4 augustus 2014 niet door de gemachtigde is ontvangen, is onvoldoende om een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding aan te nemen.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de door de rechtbank gemaakte belangenafweging in het voordeel van appellante had moeten uitvallen. Het is namelijk evident dat appellante belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van haar beroepschrift. De gronden waren alsnog tien dagen voor de zitting aan de rechtbank verzonden, waardoor partijen voorbereid en in staat waren om de zaak inhoudelijk te behandelen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het Pro beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2.
Niet in geschil is dat het door de gemachtigde van appellante ingediende beroepschrift van 28 juli 2014 geen gronden van beroep bevat. Evenmin is in geschil dat de rechtbank de gemachtigde van appellante op het verzuim heeft gewezen, hem in de gelegenheid heeft gesteld dit verzuim te herstellen en hem heeft gewezen op de consequenties van het niet tijdig voldoen aan het verzoek. Tevens is niet in geschil dat de gemachtigde de aanvullende beroepsgronden buiten de gestelde termijn van vier weken, namelijk op 26 september 2014, heeft ingediend. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd was om het beroep met toepassing van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk te verklaren.
4.3.
De Raad ziet in de enkele omstandigheid dat appellante een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van haar bevoegdheid om op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien de door de rechtbank gestelde termijn van vier weken om het verzuim te herstellen, een als fataal bedoelde termijn is, ziet de Raad in hetgeen appellante voor het overige heeft aangevoerd, evenmin grond voor dat oordeel.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) D. van Wijk

AP