ECLI:NL:CRVB:2015:4564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) vanaf 24 juni 2013. Naar aanleiding van een signaal dat appellant inkomsten had genoten, startte het college een onderzoek waarbij werd vastgesteld dat appellant werkzaamheden als deejay verrichtte en daarvoor financiële vergoedingen ontving. Appellanten hadden deze inkomsten niet gemeld, waarmee zij de op hen rustende inlichtingenverplichting schonden.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode van 24 juni 2013 tot en met 25 februari 2014. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak, omdat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij recht op bijstand hadden ondanks de niet gemelde inkomsten.
De Raad oordeelde dat het college terecht de werkzaamheden als op geld waardeerbare activiteiten kwalificeerde en dat het ontbreken van een verifieerbare administratie het onmogelijk maakte om het recht op bijstand vast te stellen. Het hoger beroep faalde en de intrekking en terugvordering van bijstand bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.