ECLI:NL:CRVB:2015:4557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit transacties
Appellante ontving vanaf 1997 met onderbrekingen bijstand. Uit onderzoek van de FIU-NL bleek dat zij tussen 2000 en 2004 bij 26 transacties aanzienlijke bedragen naar buitenlandse adressen heeft overgemaakt of gewisseld, wat duidt op het verwerven van inkomen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok daarom bijstand over diverse maanden in en vorderde terugbetaling van €13.409,46.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het om vriendendiensten ging zonder vergoeding, maar de Raad oordeelde dat dit niet relevant is omdat zij wel inkomen had kunnen verwerven en de inlichtingenverplichting schond. Door het niet melden van de transacties kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, en appellante kon dit niet bewijzen.
Verder oordeelde de Raad dat de vordering niet verjaard is, omdat de vijfjaarstermijn pas startte toen het college op 13 november 2013 kennis kreeg van het proces-verbaal van de FIU-NL. De Raad verwierp ook het verweer dat appellante onder druk haar verklaring had ondertekend, omdat deze verklaring niet aan het besluit ten grondslag lag.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten.