Uitspraak
1 december 2014, 14/6901 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd verzocht bank- en spaarrekeningafschriften van haar partner in te leveren. Hoewel zij op 7 januari 2014 documenten inleverde en een handgeschreven ontvangstbevestiging ontving, kon zij niet aannemelijk maken dat het om de gevraagde stukken ging. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling wegens het niet tijdig verstrekken van de benodigde gegevens.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college de ontvangstbevestiging had moeten specificeren en dat zij de stukken later alsnog had ingeleverd, wat niet was meegenomen in de beoordeling. De Raad oordeelde dat het op appellante rustte aannemelijk te maken dat zij de stukken tijdig had ingeleverd, hetgeen niet was gelukt. De ontvangstbevestiging was onvoldoende bewijs en het college hoefde geen rekening te houden met stukken die na het primaire besluit waren ingediend.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen en dat het college niet onredelijk had gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag buiten behandeling gelaten wegens niet tijdig overleggen van gevraagde stukken.