Uitspraak
15 december 2014, 14/7641 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, bijstandontvanger sinds 2011, verhuisde in 2013 naar een tijdelijke woning die in september 2013 zou worden gesloopt. Voor deze verhuizing ontving hij bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. In 2014 vroeg hij opnieuw bijzondere bijstand aan voor de inrichting van een nieuwe woning, maar het college wees dit af omdat de kosten als algemeen noodzakelijke kosten werden beschouwd en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat de verhuizing onverwacht was en dat hij vanwege schulden niet had kunnen reserveren voor de kosten. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen reserveren, gezien de tijdelijke aard van de eerste woning en de bekende sloopdatum.
Daarnaast verwierp de Raad het argument dat schulden een bijzondere omstandigheid vormden, verwijzend naar vaste jurisprudentie die stelt dat schulden geen grond zijn voor bijzondere bijstand. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat appellant redelijkerwijs had kunnen reserveren en geen bijzondere omstandigheden zijn aangetoond.