ECLI:NL:CRVB:2015:4485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-80% na zorgvuldige beoordeling verzekeringsartsen
Appellant meldde zich ziek vanwege hand- en polsklachten, later aangevuld met knie- en rugklachten. Het UWV stelde na onderzoek vast dat appellant recht had op een WGA-vervolguitkering bij een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen onderschat waren, met name door onvoldoende rekening te houden met hand- en armklachten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV zich op zorgvuldige rapporten van verzekeringsartsen mocht baseren. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond dat de verzekeringsartsen adequaat aandacht hadden besteed aan de beperkingen, inclusief de hand- en elleboogfunctie, en dat de medische stukken geen nieuwe inzichten boden die het oordeel konden wijzigen.
De Raad concludeerde dat de functies waarop het UWV het besluit baseerde medisch geschikt waren voor appellant en dat het hoger beroep daarom faalde. Ook wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 december 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot toekenning van de WGA-vervolguitkering bevestigd.