ECLI:NL:CRVB:2015:4411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen bankrekeningen en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1993 bijstand en werd na een anonieme tip onderzocht door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) vanwege vermoedens van handel in tweedehands goederen. Uit onderzoek bleek dat zij meerdere bankrekeningen, waaronder en/of-rekeningen, bezat zonder deze te melden bij DWI. Ondanks oproepen gaf zij geen gehoor aan verzoeken om bankafschriften te overleggen.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot daarom de bijstand op te schorten en vervolgens in te trekken per 31 december 2012, met terugvordering van de kosten over 2013. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het saldo op de rekeningen het vrij te laten vermogen overschreed en dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden.
In hoger beroep betoogde appellante dat de intrekking pas per 11 februari 2014 had mogen ingaan, aansluitend bij de opschorting. De Raad oordeelde dat de grondslag van het besluit niet afhankelijk is van het genoemde wetsartikel, maar van de context en bewoordingen. De Raad bevestigde dat de intrekking terecht was gebaseerd op artikel 54, derde lid, WWB en dat de ingangsdatum van 31 december 2012 juist was.
Verder volgde de Raad de rechtbank in de conclusie dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet over de tegoeden op de en/of-rekeningen kon beschikken. Door het niet melden van deze tegoeden en het niet reageren op oproepen had zij de inlichtingenplicht geschonden, waardoor het recht op bijstand niet vast kon worden gesteld.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 31 december 2012 wegens het niet melden van bankrekeningen wordt bevestigd.