ECLI:NL:CRVB:2015:4407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering zelfstandigen wegens niet levensvatbaar bedrijf
Appellant exploiteerde sinds augustus 2011 een bedrijf en ontving een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Na een advies van het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) werd het bedrijf als niet levensvatbaar aangemerkt, waarop het college de bijstandsuitkering stopzette. Appellant diende een nieuwe aanvraag in die het college afwees vanwege het ontbreken van levensvatbaarheid, gebaseerd op adviezen van DR Consultancy B.V. (DRC) en het IMK.
Appellant voerde aan dat het bedrijf wel levensvatbaar was en dat de resultaten waren beïnvloed door externe factoren zoals een terug te betalen WW-uitkering. Hij stelde ook dat het IMK-advies niet zorgvuldig tot stand was gekomen. De Raad beoordeelde dat het college terecht op de adviezen van DRC en IMK mocht vertrouwen, die zorgvuldig en deugdelijk waren opgesteld zonder feitelijke onjuistheden.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende objectieve gegevens had ingebracht om het standpunt van het college te weerleggen. Het ondernemingsplan met gunstige prognoses was onvoldoende om de levensvatbaarheid aan te tonen. Ook de financiële problemen door de terugvordering van de WW-uitkering rechtvaardigden geen ander oordeel. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijstandsuitkering zelfstandigen wordt afgewezen wegens niet levensvatbaar bedrijf.