ECLI:NL:CRVB:2015:440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bezwaar tegen intrekking WW-uitkering wegens verblijf buitenland buiten vakantieperiode
Appellant ontving een WW-uitkering en meldde een vakantieperiode in november 2011 waarvoor het UWV de uitkering doorbetaalde. Later bleek dat appellant van 28 december 2011 tot 7 april 2012 in het buitenland verbleef. Het UWV kwalificeerde een deel van deze periode als vakantie en betaalde door, maar trok de uitkering over de resterende periode in omdat het verblijf buiten vakantie viel.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees op de dwingendrechtelijke bepalingen van de WW die geen ruimte laten voor rekening houden met de redenen van het verblijf in het buitenland. Ook de stelling van appellant dat sprake zou zijn van discriminatie ten opzichte van werkenden die vakantiedagen mogen meenemen, werd verworpen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder dat hij buiten zijn schuld langer in het buitenland verbleef en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn belangen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de relevante WW-artikelen dwingendrechtelijk zijn en geen uitzonderingen toestaan. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af, bevestigde de eerdere uitspraak en wees proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt het besluit tot intrekking van de WW-uitkering over de periode van verblijf in het buitenland buiten vakantie.