ECLI:NL:CRVB:2015:439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na herleving recht
Appellant was werkzaam bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst tot 31 december 2012, die met wederzijds goedvinden per 21 november 2012 werd beëindigd. Het UWV kende appellant een WW-uitkering toe per 21 november 2012, maar legde een maatregel van blijvende gehele weigering op wegens verwijtbare werkloosheid. Appellant heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit genomen, waardoor het besluit onaantastbaar werd.
Na het herleven van het WW-recht per 1 januari 2013 vroeg appellant opnieuw uitbetaling van de WW-uitkering, stellende dat zijn arbeidsovereenkomst anders van rechtswege tot 1 januari 2013 zou hebben gelopen. Het UWV weigerde de uitbetaling, omdat de maatregel van blijvende weigering voortgezet moest worden en appellant geen nieuw WW-recht had opgebouwd vanwege onvoldoende arbeidsweken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het UWV terecht de maatregel voortzette en passeerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. Appellant stelde in hoger beroep dat de weigering ten onrechte blijvend was en dat hij recht had op uitbetaling vanaf 1 januari 2013, maar de Centrale Raad van Beroep verwierp dit. De Raad oordeelde dat appellant deze grondslag in een eerdere procedure had moeten aanvoeren en bevestigde dat het UWV terecht de maatregel voortzette na herleving van het recht. Tevens wees de Raad een verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering heeft voortgezet na herleving van het recht per 1 januari 2013.