ECLI:NL:CRVB:2015:4385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende gebruik werkvoorziening
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd op 20 december 2012 aangemeld bij een project gericht op werk. Hij begon op 9 januari 2013 met werkzaamheden, maar vertoonde op zijn eerste dag negatief en ongewenst gedrag, waardoor hij na anderhalf uur werd weggestuurd.
Het college besloot daarom op 28 februari 2013 de bijstand met 100% te verlagen gedurende één maand als maatregel wegens onvoldoende gebruik van de aangeboden voorziening. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond, omdat de gedragingen van appellant voldoende waren vastgesteld aan de hand van schriftelijke verklaringen van een teamleider en de casemanager.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich niet ontoelaatbaar had gedragen en dat de gedragingen niet waren komen vast te staan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat zijn verwijtbare gedrag tijdens de eerste werkdag vaststond. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de verlaging van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De maatregel tot verlaging van de bijstand wegens onvoldoende gebruik van de werkvoorziening wordt bevestigd.