ECLI:NL:CRVB:2015:4385

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2015
Publicatiedatum
8 december 2015
Zaaknummer
14-2716 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel verlaging bijstand wegens onvoldoende gebruik werkvoorziening

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werd op 20 december 2012 aangemeld bij een project gericht op werk. Hij begon op 9 januari 2013 met werkzaamheden, maar vertoonde op zijn eerste dag negatief en ongewenst gedrag, waardoor hij na anderhalf uur werd weggestuurd.

Het college besloot daarom op 28 februari 2013 de bijstand met 100% te verlagen gedurende één maand als maatregel wegens onvoldoende gebruik van de aangeboden voorziening. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond, omdat de gedragingen van appellant voldoende waren vastgesteld aan de hand van schriftelijke verklaringen van een teamleider en de casemanager.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich niet ontoelaatbaar had gedragen en dat de gedragingen niet waren komen vast te staan. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant deze stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat zijn verwijtbare gedrag tijdens de eerste werkdag vaststond. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de verlaging van de bijstand bevestigd.

Uitkomst: De maatregel tot verlaging van de bijstand wegens onvoldoende gebruik van de werkvoorziening wordt bevestigd.

Uitspraak

14/2716 WWB
Datum uitspraak: 8 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 april 2014, 13/2506 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 27 oktober 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
Het college heeft in overleg met appellant hem in het kader van zijn arbeidsverplichtingen op 20 december 2012 aangemeld bij het project [naam project] . Appellant is hierbij geïnformeerd over de aard van de werkzaamheden en over de voorwaarden. Hij is op
9 januari 2013 begonnen met de werkzaamheden bij [naam project] .
1.3.
Bij besluit van 28 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit), heeft het college met ingang van 1 maart 2013 de bijstand van appellant bij wijze van maatregel gedurende één maand met 100% verlaagd, op de grond dat appellant de door het college aangeboden voorziening gericht op werk, niet of onvoldoende had gebruikt. Het college heeft daaraan - voor zover thans nog van belang - ten grondslag gelegd dat appellant op zijn eerste dag bij [naam project] ondanks een waarschuwing dermate negatief en ongewenst gedrag vertoonde, dat hij na anderhalf uur is gesommeerd de bedrijfshal te verlaten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover hier van belang en
samengevat - overwogen dat de gedragingen die appellant worden verweten voldoende zijn komen vast te staan, hoewel daarvan niet aanstonds schriftelijke verslaglegging heeft plaatsgevonden. De teamleider bij [naam project] heeft de gedragingen van appellant telefonisch doorgegeven aan de casemanager en deze heeft de gedragingen op schrift gesteld. De leading teamleider kon een en ander niet meer bevestigen, doordat hij niet meer bij PostNLwerkte, maar een andere teamleider heeft schriftelijk bevestigd dat hij van de gedragingen van appellant getuige is geweest. Appellant luisterde niet naar instructies van de teamleiders en weigerde zijn mobiele telefoon af te geven. Hij verliet zonder overleg de werkvloer om naar het toilet te gaan, terwijl overleg nodig was om te voorkomen dat het productieproces stagneerde. Ook liet hij zich negatief uit over de werkzaamheden jegens andere werknemers. Appellant is op de ongewenstheid van zijn gedrag aangesproken. Toen appellant werd aangesproken op zijn lage werktempo, was hij verbaal zeer negatief jegens de teamleiders. Ondanks een waarschuwing bleef hij negatief en ongewenst gedrag vertonen. Daarom is hij weggestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen volledig verwijtbaar.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het college ten onrechte is uitgegaan van de gedragingen zoals in de aangevallen uitspraak vermeld. Volgens appellant zijn deze niet komen vast te staan. Hij ondervond problemen met het productieproces, maar heeft zich niet ontoelaatbaar gedragen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geding spitst zich toe op de vraag of appellant zich verwijtbaar heeft gedragen tijdens de eerste dag van zijn werkzaamheden bij [naam project] .
4.2.
De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat het college heeft kunnen uitgaan van de gedragingen zoals die door de casemanager op schrift zijn gesteld. Appellant heeft niet gemotiveerd op grond waarvan dit oordeel van de rechtbank onjuist is. Appellant heeft zijn stelling dat hij zich niet aan de bedoelde gedragingen heeft schuldig gemaakt niet onderbouwd.
4.3.
De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn problemen met het productieproces, wat daar ook van zij, niet afdoet aan de verwijtbaarheid van zijn gedrag. Appellant heeft in hoger beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.L. Meijer

HD