ECLI:NL:CRVB:2015:4381

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2015
Publicatiedatum
8 december 2015
Zaaknummer
13-656 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in bijstandszaak waarbij appellant geheel is tegemoetgekomen zonder proceskostenveroordeling

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag inzake een bijstandsuitkering. De Raad heeft op 3 februari 2015 een tussenuitspraak gedaan en het college heeft op 19 mei 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Naar aanleiding hiervan trok appellante het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 21 Beroepswet Pro het bestuursorgaan op verzoek kan worden veroordeeld in de kosten indien het geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt. Echter, het college stelde dat de oorspronkelijke beslissing rechtmatig was op basis van de toen beschikbare gegevens en dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door het verzwijgen van een bankrekening en het niet overleggen van bankafschriften.

Omdat appellante de benodigde bankafschriften pas in hoger beroep heeft overgelegd en niet aannemelijk is gemaakt dat zij dit eerder niet kon doen, is het aan haarzelf te wijten dat zij meerdere procedures moest voeren. Daarom wees de Raad het verzoek om proceskostenvergoeding af en besloot dat het college niet in de kosten wordt veroordeeld.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt geheel toegewezen, maar het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 december 2015
13/656 WWB, 15/3680 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
‘s-Gravenhage van 12 december 2012, 12/7729 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft op 3 februari 2015 een tussenuitspraak gedaan.
Het college heeft op 19 mei 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij faxbericht van 19 juni 2015 heeft mr. Schuckink Kool namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat mr. Schuckink Kool het hoger beroep heeft ingetrokken naar aanleiding van het besluit van 19 mei 2015.
Het college stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling, omdat de oorspronkelijke beslissing op bezwaar van 9 juli 2012 op basis van de op dat moment beschikbare gegevens rechtmatig was. Het college heeft er daarbij op gewezen dat appellante destijds bij haar aanvraag om bijstand een op haar naam staande bankrekening had verzwegen, dat appellante niet had voldaan aan het verzoek om bankafschriften van deze bankrekening in te leveren en dat zij ook in bezwaar en beroep de gevraagde bankafschriften niet heeft overgelegd. Het recht op bijstand kon dan ook als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting niet worden vastgesteld. Pas in hoger beroep heeft appellante de benodigde bankafschriften ingeleverd en kon het recht op bijstand wel worden vastgesteld.
Met het college is de Raad van oordeel dat er in dit geval geen aanleiding bestaat tot vergoeding van de proceskosten. Vaststaat immers dat appellant de noodzakelijke (bank)gegevens pas in hoger beroep heeft overgelegd. Niet is gebleken dat zij dit niet eerder had kunnen doen. Het is dan ook aan appellante zelf te wijten dat zij procedures voor de rechtbank en de Raad heeft moeten voeren. Van kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken is dan ook geen sprake. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante af.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2015.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) P.A.M. Hulsdouw

HD