Uitspraak
11 juni 2014, 14/541 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 31 januari 2010 werkzaam als schoonmaker van treinmotoren en ontving vanaf maart 2010 een WW-uitkering. Vanaf november 2012 meldde hij zich ziek vanwege rug- en longklachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsartsrapport van oktober 2013 dat appellant per 4 november 2013 weer geschikt was voor arbeid en beëindigde de uitkering.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het UWV-besluit bevestigde vanwege voldoende zorgvuldig onderzoek en gebrek aan medische onderbouwing van appellant. In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, waaronder psychische en lichamelijke klachten, maar kon geen nieuwe medische informatie overleggen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en zag geen reden tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige. De Raad bevestigde daarmee het besluit dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewet-uitkering omdat hij geschikt wordt geacht tot arbeid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewet-uitkering omdat hij weer geschikt wordt geacht tot arbeid.