ECLI:NL:CRVB:2015:4207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2015
Publicatiedatum
26 november 2015
Zaaknummer
14/3296 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling stellen aanvraag bijstand wegens niet tijdig aanleveren gegevens

Appellante diende op 13 mei 2013 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college verzocht haar meerdere malen om aanvullende financiële gegevens, waaronder bankafschriften en bewijsstukken over haar levensonderhoud vanaf 1 mei 2012.

Omdat appellante niet binnen de gestelde hersteltermijn van 27 juni 2013 de gevraagde gegevens aanleverde, stelde het college de aanvraag op 28 juni 2013 buiten behandeling op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het buitenbehandelingsbesluit eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij telefonisch om uitstel had gevraagd, maar dit werd niet onderbouwd. Uit een rapportage bleek dat zij slechts om een vertaling van bankgegevens had gevraagd en dat zij geen geld had voor bankafschriften.

De Raad oordeelde dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te stellen omdat essentiële gegevens ontbraken en appellante geen geldige reden gaf voor het niet tijdig aanleveren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

14/3296 WWB
Datum uitspraak: 24 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
15 mei 2014, 13/7464 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.J. Purperhart, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Legrand.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft op 13 mei 2013 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft het college appellante bij brieven van 10 juni 2013 en 21 juni 2013 uitgenodigd de in die brieven genoemde gegevens over te leggen, waaronder afschriften van alle betaal- en spaarrekeningen vanaf 1 mei 2012 en bewijsstukken met betrekking tot de wijze van levensonderhoud voorafgaand aan de aanvraag, eveneens vanaf 1 mei 2012. In de brief van 21 juni 2013 heeft het college appellante meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten als appellante niet alle gevraagde gegevens voor 27 juni 2013 inlevert.
1.2.
Bij besluit van 28 juni 2013 heeft het college de aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet alle gevraagde gegevens binnen de haar bij brief van 21 juni 2013 verleende hersteltermijn heeft ingeleverd.
1.3.
Bij besluit van 15 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, uitspraak van 4 januari 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399), is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens op te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.
4.3.
Niet in geschil is dat de onder 1.1 gevraagde gegevens voor de beslissing op de aanvraag van appellante nodig zijn, dat appellante in de gelegenheid is gesteld haar aanvraag aan te vullen en dat die aanvulling niet binnen de haar gegeven hersteltermijnen heeft plaatsgevonden. De stukken bieden geen steun voor het standpunt van appellante dat zij op
27 juni 2013 in een telefonisch contact met haar klantmanager concreet om een nader uitstel heeft verzocht voor het inleveren van deze gegevens. Uit een door een medewerker van Werkplein Dwarsdijk op 28 juni 2013 opgemaakte rapportage, waarvan de inhoud niet door appellante is betwist, blijkt dat appellante op 27 juni 2013 slechts heeft verzocht om van de in het Papiaments opgestelde gegevens van de MCB-bank te Curaçao op 28 juni 2013 een Nederlandse vertaling in te mogen leveren. Daartoe is zij in de gelegenheid gesteld. Uit de rapportage blijkt voorts dat appellante te kennen heeft gegeven dat het opvragen van bankafschriften tien gulden per afschrift kost en dat zij daar geen geld voor had. Er was gelet hierop voor het college geen aanleiding voor het aanbieden van een langer uitstel dan tot
28 juni 2013. Appellante heeft ook op 28 juni 2013 geen stukken ingeleverd.
4.4.
Gelet op wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, was het college op grond van
artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellante buiten behandeling te stellen. Wat appellante heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot
buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD