ECLI:NL:CRVB:2015:4195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging WAO-uitkering
Appellant ontving een WAO-uitkering die met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 werd beëindigd door het UWV. Op 5 juni 2013 werd de uitkering geschorst wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens. Appellant maakte bezwaar tegen deze schorsing, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank het beroep van appellant tegen de schorsing niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat de uitkering op dat moment al was beëindigd en het beroep niet tot herleving van de uitkering kon leiden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onredelijk is dat geen rechtsmiddelen openstaan tegen een besluit waarbij een uitkering met terugwerkende kracht wordt beëindigd. De Centrale Raad overwoog dat het besluit tot beëindiging van de uitkering in rechte onaantastbaar is geworden en dat het procesbelang vereist dat het nastreefde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en feitelijke betekenis heeft voor de indiener. Nu de uitkering al was beëindigd, ontbrak dit procesbelang.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 23 oktober 2015.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen wegens ontbreken van procesbelang bij beroep tegen schorsing van een reeds beëindigde WAO-uitkering.