ECLI:NL:CRVB:2015:418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 28 augustus 2009 bijstand op grond van de WWB. Na een rechtmatigheidscontrole in maart 2011 bleek dat grote bedragen van een buurman op zijn bankrekening werden bijgeschreven, wat leidde tot een onderzoek door de Dienst SZW. Dit onderzoek bracht onder meer aan het licht dat appellant niet had gemeld dat twee bedrijven op zijn naam stonden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en dat hij aanzienlijke bedragen ontving zonder deze te verklaren.
Het college trok de bijstand met ingang van 12 november 2010 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door geen melding te maken van de bijschrijvingen en kasstortingen op zijn bankrekening en van de bedrijfsactiviteiten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de bedragen had gebruikt voor uitgaven van de buurman en dat hij door diens overlijden in bewijsnood was geraakt. De Raad oordeelde echter dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd en dat hij ook geen opgave had gedaan van de huur van opslagruimte, bestelbusjes en de huurinkomsten van een medebewoner. De Raad verwierp het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en bevestigde de eerdere uitspraak.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht.