ECLI:NL:CRVB:2015:4151
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buiten behandeling stelling aanvraag bijstand wegens ontbreken bankafschriften
Appellante heeft op 4 juni 2012 een aanvraag om bijstand ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. Het college heeft haar verzocht om binnen een gestelde termijn bankafschriften over de periode vanaf 1 oktober 2011 te overleggen. Appellante heeft niet alle gevraagde gegevens verstrekt, met name de bankafschriften van 1 tot 20 oktober 2011 ontbraken.
Het college heeft daarop de aanvraag op 23 juli 2012 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Oost-Brabant bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het college onterecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld en dat sprake was van strijd met het vertrouwensbeginsel en het EVRM. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de gevraagde bankafschriften essentieel waren voor het beoordelen van het recht op bijstand en dat appellante voldoende gelegenheid had gekregen om deze te verstrekken. Er was geen sprake van onredelijk handelen door het college.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de aanvraag buiten behandeling te stellen wegens het ontbreken van noodzakelijke gegevens en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet tijdig verstrekken van noodzakelijke bankafschriften.