ECLI:NL:CRVB:2015:4145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder. Zij verbleef in twee periodes in het buitenland, waarvan de tweede periode van 28 november 2012 tot en met 9 januari 2013 langer dan de toegestane vier weken aaneengesloten duurde. Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer trok daarom haar bijstandsuitkering over deze periode in.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat de reden van het verblijf in het buitenland, zoals medische noodzaak, niet relevant is voor het recht op bijstand. De rechtbank verwierp ook het beroep op overgangsrecht en de stelling dat appellant recht zou hebben op een verblijf van drie maanden vanwege vrijstelling van arbeidsverplichtingen.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om de intrekking onterecht te verklaren en bevestigde de uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland wordt bevestigd.