Uitspraak
5 juni 2014, 14/1592 (aangevallen uitspraak 1) en 6 oktober 2014, 14/3853 (aangevallen uitspraak 2)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een adres waar zes personen woonden. Na onderzoek bleek dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde, hetgeen hij zelf ook verklaarde. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees ook het bezwaar tegen de brutering van de terugvordering af. Appellant voerde in hoger beroep onder meer aan dat het besluit niet was ondertekend, dat hij vanwege psychische klachten niet aan zijn verklaringen gehouden kon worden en dat het terugvorderingsbeleid onredelijk was.
De Raad oordeelde dat de rechtbank gemotiveerd had geoordeeld en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was zijn verklaringen te overzien. De verplichting tot terugvordering liet geen ruimte voor bijzondere omstandigheden. Ook het beroep tegen de brutering werd verworpen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.