ECLI:NL:CRVB:2015:4051

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2015
Publicatiedatum
18 november 2015
Zaaknummer
14/4536 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Besluit dagloon werknemersverzekeringenArt. 2 Besluit dagloon werknemersverzekeringenArt. 16 WfsvArt. 47 WW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging correcte berekening dagloon bij wijziging arbeidsomvang in refertejaar

Appellant was sinds oktober 2008 voor 36 uur per week in dienst bij een stichting. In 2013 werd besloten de activiteiten van deze stichting te beëindigen, waarna appellant per 7 mei 2013 gedeeltelijk (24 uur) in dienst trad bij een andere werkgever en voor 12 uur bleef werken bij de oorspronkelijke stichting. Op 1 juni 2013 eindigde de dienstbetrekking bij de stichting en verloor appellant de resterende 12 uur.

Appellant vroeg een WW-uitkering aan voor het verlies van deze 12 uur, maar het UWV berekende het dagloon op basis van het loon over 36 uur in het refertejaar, met een correctie naar 12/36 vanwege de vermindering van arbeidsuren. Appellant stelde dat het dagloon op basis van 12 uur had moeten worden berekend, omdat hij werkloos werd uit een dienstbetrekking van 12 uur.

De Raad oordeelde dat voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit het loon uit de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan als zodanig in het refertejaar bepalend is. Wijzigingen in arbeidsomvang in het refertejaar zijn alleen relevant voor de omvang van het loon in dat jaar. De berekening van het UWV is daarmee juist en in overeenstemming met de wet.

Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Gelderland wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van het dagloon door het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

14/4536 WW
Datum uitspraak: 18 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
1 juli 2014, 13/5908 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is per 1 oktober 2008 voor 36 uur in dienst getreden bij [naam stichting] te [vestigingsplaats] ( [stichting] ). In januari 2013 is besloten tot beëindiging van de activiteiten van de [stichting] , waarna appellant en de [stichting] op 28 maart 2013 een beëindigingsovereenkomst hebben gesloten, waarin onder meer is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zou eindigen met ingang van 1 juni 2013. Met ingang van 7 mei 2013 is appellant voor 24 uur in dienst getreden van [werkgever 2] ( [werkgever 2] ). Hij heeft voor dat aantal uren ontslag genomen uit zijn toen nog lopende dienstbetrekking met de [stichting] en bleef daar voor 12 uur nog werkzaam op dezelfde voorwaarden. Op 1 juni 2013 is de dienstbetrekking met de [stichting] geëindigd en heeft appellant de resterende twaalf uur verloren.
1.2.
Appellant heeft op 27 mei 2013 ter zake van het verlies van deze twaalf arbeidsuren een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 14 juni 2013, voor zover van belang, heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering, berekend naar een dagloon van € 194,85. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat volgens hem het dagloon te laag is vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 13 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in het bestreden besluit voor de berekening van het dagloon allereerst de hoogte van het loon dat appellant in de periode van 1 mei 2012 tot en met
30 april 2013 (referteperiode) van de [stichting] heeft ontvangen uit zijn dienstbetrekking van
36 uur, vastgesteld op € 57.619,06. Omdat het daarvan afgeleide dagloon van € 220,69 hoger was dan het maximum dagloon heeft het Uwv het dagloon gesteld op het maximum van
€ 194,85. Hierop is een breuk van 12/36 toegepast, wat heeft geleid tot een dagloon van
€ 64,95. De hoogte van de WW-uitkering van 75, onderscheidenlijk 70% van dit bedrag is bepaald op € 48,71 bruto per dag gedurende de eerste twee maanden en op € 45,46 bruto per dag met ingang van 3 augustus 2013.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de referteperiode juist is vastgesteld en dat het Uwv op grond van artikel 47, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, door toepassing van de factor 12/36 terecht rekening heeft gehouden met de dienstbetrekking bij [werkgever 2] .
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat het Uwv zijn dagloon onjuist heeft berekend. Appellant heeft gesteld dat hij werkloos is geworden uit een dienstbetrekking van twaalf uur, zodat op grond van artikel 3, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Besluit) het loon over twaalf uur de basis vormt voor het dagloon en niet, zoals het Uwv heeft gedaan, het loon over 36 uur. Uitgaande van twaalf uur zou het dagloon volgens zijn berekening € 73,61 bedragen. Toepassing van artikel 47 van Pro de WW zou er dan toe leiden dat de uitkering zou moeten worden berekend naar 75, onderscheidenlijk 70% van € 73,61, omdat de op grond van artikel 47, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW toe te passen breuk 12/12 zou zijn.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor een weergave van het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overweging 3.1 tot en met overweging 3.3 van de aangevallen uitspraak. Daaraan worden toegevoegd artikel 2 en Pro artikel 3 van Pro het Besluit. In artikel 2, eerste lid, van het Besluit is bepaald dat onder refertejaar wordt verstaan de periode van een jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin het arbeidsurenverlies is ingetreden. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit, voor zover van belang, wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wfsv, genoten in het refertejaar uit de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden.
4.2.1.
Het betoog van appellant is gebaseerd op de stelling dat onder “de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden” moet worden verstaan de dienstbetrekking in de omvang ten tijde van het ontstaan van de werkloosheid. Daarover wordt als volgt geoordeeld.
4.2.2.
Met ingang van 7 mei 2013 is geen nieuwe dienstbetrekking ontstaan tussen appellant en de [stichting] . De dienstbetrekking met de [stichting] is de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos is geworden. Anders dan appellant meent is voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Besluit het loon in het refertejaar uit die dienstbetrekking als zodanig uitgangspunt. Een wijziging van de arbeidsomvang in de loop van het refertejaar is daarom slechts van belang voor zover dat gevolgen heeft voor de omvang van het genoten loon in het refertejaar. Artikel 3, eerste lid, van het Besluit biedt geen steun voor het standpunt van appellant dat het loon in het refertejaar over slechts twaalf uur in aanmerking genomen had moeten worden. Dat, indien appellant van meet af aan een dienstbetrekking van twaalf uur had gehad, het loon in de refertejaar over twaalf uur bepalend geweest zou zijn voor het dagloon, is juist en volgt uit artikel 3, eerste lid, van het Besluit. Dat betekent echter niet, dat de door het Uwv in het bestreden besluit gevolgde benadering in strijd is met dat artikellid.
4.2.3.
Het Uwv heeft de omvang van de WW-uitkering voor het overige vastgesteld in overeenstemming met artikel 47, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Hetgeen appellant in dat verband naar voren heeft gebracht slaagt niet, omdat zijn daaraan ten grondslag liggende opvatting over de dagloonberekening onjuist is.
4.2.4.
Uit 4.2.1 tot en met 4.2.3. volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) K. de Jong

AP