ECLI:NL:CRVB:2015:4050

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2015
Publicatiedatum
18 november 2015
Zaaknummer
14/3061 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid

Appellant viel sinds februari 2010 uit voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur en ontving aanvankelijk een WIA-uitkering die werd geweigerd omdat hij naar oordeel van het UWV meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Vervolgens ontving appellant een Ziektewetuitkering vanaf maart 2013. Op 1 oktober 2013 achtte het UWV appellant weer geschikt voor arbeid en beëindigde de ZW-uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen nieuwe medische informatie was aangeleverd die het oordeel van het UWV tegensprak.

In hoger beroep herhaalde appellant dat zijn psychische en elleboogklachten onvoldoende waren meegewogen. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het medisch dossier, inclusief rapporten van de behandelend psychologe en orthopedisch chirurg, zorgvuldig had beoordeeld. De medische gegevens toonden geen ernstige beperkingen die arbeid onmogelijk maakten. De Raad concludeerde dat het UWV terecht appellant geschikt heeft geacht voor de maatgevende arbeid per 2 oktober 2013.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geschikt is verklaard voor arbeid en de Ziektewetuitkering is beëindigd.

Uitspraak

14/3061 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
22 april 2014, 14/351 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 november 2015
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Namens appellant is
mr. Yeniasci verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 4 februari 2010 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur. Bij besluit van 12 januari 2012, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 13 april 2012, heeft het Uwv met ingang van 2 februari 2012 een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat appellant in staat werd geacht om met ingang van die datum meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Appellant is vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 18 december 2012 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).
1.2.
Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 oktober 2013 weer geschikt geacht voor zijn arbeid en de ZW-uitkering met ingang van die dag beëindigd.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 20 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft vastgesteld dat naast eigen onderzoek door het Uwv, de behandelend psychologe N. van Limpt en de behandelend orthopedisch chirurg H.W.J. Koot op verzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie hebben verstrekt, welke door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is meegenomen in zijn beoordeling. Verwezen is naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 december 2013 en van 7 februari 2014. Omdat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd die zijn standpunt onderbouwen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Het Uwv heeft appellant volgens de rechtbank dan ook terecht geschikt geacht voor de maatgevende arbeid met ingang van 2 oktober 2013.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zowel zijn psychische klachten als zijn elleboogklachten. Uit de informatie van Koot blijkt volgens appellant dat hij zijn elleboog niet goed kan gebruiken.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. In geschil is of appellant op 2 oktober 2013 geschikt was te achten voor de maatgevende arbeid. Wanneer een verzekerde, na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt als maatstaf gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van diens aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de in het kader van de WIA geselecteerde functies.
4.2.
Appellant is op 1 oktober 2013 onderzocht door een arts. Op dat moment heeft appellant melding gemaakt van psychische klachten. Volgens de informatie van 5 december 2013 van Van Limpt, werkzaam bij Novadic & Kentron netwerk voor verslavingszorg, is bij appellant sprake van een depressieve stoornis en van een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur met vermijdende en afhankelijke trekken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 19 december 2013 gemotiveerd dat uit eigen onderzoek, het dag- en het sociale verhaal van appellant en de hoorzitting van 29 oktober 2013, niet is gebleken van ernstige persoonlijkheidsstoornissen of ernstige psychopathologie waardoor appellant niet in staat zou zijn tot het verrichten van de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat de opname van appellante verband hield met verslavingen en dat appellant ondanks zijn persoonlijkheidstrekken in het verleden arbeid heeft kunnen verrichten. Bovendien heeft appellant tijdens de hoorzitting volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen arbeidsongeschiktheid geclaimd als gevolg van de psychische problematiek.
4.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 februari 2014, opgesteld naar aanleiding van informatie van de orthopedisch chirurg dat op 13 november 2013 onder algehele anesthesie een corpus liberum in het rechter ellebooggewricht van appellant is verwijderd, gesteld dat hij tijdens het onderzoek op 29 oktober 2013 geen afwijkingen aan de rechter elleboog heeft kunnen waarnemen, behoudens enig kraken bij mobilisatie en dat hij geen gevaar heeft gezien van een mogelijke verergering van het elleboogletsel indien appellant zou gaan werken vóór de geplande operatie op 13 november 2013. Er waren volgens hem geen tekenen van recent gewrichtslijden en van chronische (reumatologische) gewrichtsproblemen. Dit standpunt is bevestigd door de informatie van Koot van 23 december 2013, dat het functieherstel naar verwachting na een periode van enkele weken na de operatie weer voldoende zal zijn om de dagelijkse activiteiten van het leven met de rechter arm te kunnen verrichten.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld, dat er geen aanknopingspunten bestaan om het onderzoek van het Uwv onzorgvuldig of onjuist te achten, noch om aan de juistheid van de conclusies daarvan te twijfelen. Appellant heeft in (hoger) beroep geen medische informatie ingediend die de conclusies van het Uwv tegenspreekt. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) K. de Jong

AP