Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Hieruit volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht op minder dan 35% heeft vastgesteld.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij per 17 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was verricht.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvolledig en onvoldoende was, met name dat zijn psychische en cardiologische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet in staat was de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Tevens wees hij op zijn opname en wachtlijst voor dagbehandeling.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij alle relevante medische informatie was betrokken. De Raad onderschreef dat appellant per 17 juli 2013 niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. De verslechtering van zijn psychische toestand vond plaats na die datum. Het hoger beroep werd verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is per 17 juli 2013 wordt bevestigd.