ECLI:NL:CRVB:2015:4003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig medewerker thuishulp, meldde zich op 6 september 2010 ziek vanwege toegenomen klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet in staat was de voorbeeldfuncties te verrichten en dat het onbegrijpelijk was dat hij wel een Ziektewet-uitkering ontving maar geen WIA-recht had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de belastbaarheid van appellant juist weergeeft.
De Raad stelde vast dat er geen objectieve medische onderbouwing was voor de psychische beperkingen zoals door appellant gesteld, maar erkende wel toegenomen fysieke beperkingen. Desondanks bleken de geselecteerde functies geschikt voor appellant. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.