ECLI:NL:CRVB:2015:3860

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 november 2015
Publicatiedatum
5 november 2015
Zaaknummer
14/5876 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, WWBArtikel 8 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijzondere bijstand wegens belastingteruggave

Appellanten ontvingen sinds 2005 bijstand op grond van de WWB, inclusief bijzondere bijstand voor woonkostentoeslag vanaf 2008. De Belastingdienst stelde voor 2011 en 2012 belastingteruggaven vast, waarop het college bij besluit van 29 augustus 2013 de kosten van bijstand over deze jaren terugvorderde.

Appellanten maakten bezwaar tegen deze terugvordering, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de belastingteruggaven als een middel moeten worden aangemerkt en het college bevoegd was tot terugvordering. Ook werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro verworpen.

In hoger beroep herhaalden appellanten hun eerdere gronden zonder nieuwe argumenten. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

14/5876 WWB
Datum uitspraak: 3 november 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
24 september 2014, 14/484 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [Appellante] beiden te [woonplaats] (appellanten)
het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. E. Yeniasci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2015. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.A.H. Gossink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Zij ontvingen vanaf 2008 bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag voor een eigen woning. De Belastingdienst heeft bij voorlopige aanslagen over de jaren 2011 en 2012 vastgesteld dat appellanten recht hadden op een teruggave van belasting van € 1.292,- onderscheidenlijk € 1.252,-. Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 29 augustus 2013 met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de kosten van bijstand over het jaar 2011 tot een bedrag van € 1.263,- en over het jaar 2012 tot een bedrag van € 1.249,- van appellanten teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 9 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellanten ontvangen belastingteruggaven in verband met hypotheekrenteaftrek die betrekking hebben op de periode waarover bijzondere bijstand is verleend, moeten worden aangemerkt als een middel. Het college was dan ook bevoegd de bijzondere bijstand voor woonlasten terug te vorderen tot het bedrag van de ontvangen belastingteruggaven. Van dringende redenen die aanleiding vormen om af te zien van terugvordering is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Aan de omstandigheid dat het college niet is overgegaan tot terugvordering van over de jaren 2008 tot en met 2010 verleende bijzondere bijstand konden appellanten niet het vertrouwen ontlenen dat die gedragslijn in de toekomst ongewijzigd zou worden voortgezet. Ten slotte heeft de rechtbank het betoog van appellanten dat de terugvordering in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verworpen.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellanten hebben in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellanten hebben zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.
4.2.
De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
4.3.
De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.
4.4.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 november 2015.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) C. Moustaïne

HD