ECLI:NL:CRVB:2015:3827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemeld vermogen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en had in de periode van 27 januari 2009 tot en met 12 oktober 2010 een bedrag van €46.000,- op zijn bankrekening staan, wat hij niet aan het college had gemeld. Het college trok daarom de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het geld niet vrijelijk door hem kon worden gebruikt omdat het afkomstig was van zijn moeder en in overleg met zijn broer en moeder op zijn rekening was gestort met de afspraak dat hij er niet zonder toestemming over mocht beschikken.
De Raad oordeelde echter dat appellant als rekeninghouder onbeperkte beschikkingsmacht had over het tegoed en dat hij dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens had onderbouwd. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking en terugvordering van de bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant vrijelijk over het niet gemelde vermogen kon beschikken.