ECLI:NL:CRVB:2015:3810
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellant ontving sinds 2007 bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie, waarbij onder meer water- en energieverbruik werden geanalyseerd en huisbezoeken werden afgelegd, concludeerde het college dat appellant niet daadwerkelijk woonachtig was op het uitkeringsadres.
Het college trok de bijstand met ingang van november 2012 in en vorderde de bijstand over de periode juli tot oktober 2012 terug. Tevens wees het college een aanvraag om bijstand af vanwege het ontbreken van duidelijkheid over de feitelijke woonsituatie. Appellant voerde aan wel op het uitkeringsadres te wonen en dat hij zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden.
De Raad oordeelde dat het extreem lage waterverbruik, de bevindingen tijdens huisbezoeken en het ontbreken van persoonlijke en huishoudelijke zaken in de woning een toereikende feitelijke grondslag vormden om te concluderen dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres. Hierdoor was het college bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig was op het uitkeringsadres.