Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bepaalt dat de commandant aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een beroepsmilitair geplaatst in het buitenland, huurde een woning waarvan de kale huur hoger was dan het geldende huurplafond. Hij verzocht om verhoging van het huurplafond om in aanmerking te komen voor een hogere tegemoetkoming in de woninghuur. Het verzoek werd afgewezen omdat volgens het bestuursorgaan passende woningen beschikbaar zouden zijn binnen het huurplafond.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellant dat de beleidsregel die het huurplafond begrenst niet door de bevoegde autoriteit was vastgesteld en dat deze in strijd was met het hogere wettelijke voorschrift, het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD).
De Raad oordeelde dat de commandant bevoegd is om te beoordelen of een woning passend is en of het mogelijk is een woning te huren binnen het huurplafond. De beleidsregel die de tegemoetkoming begrenst is echter in strijd met het VBD. Daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad stelde zelf vast dat appellant recht heeft op een maandelijkse tegemoetkoming gelijk aan het verschil tussen de huur en de eigen bijdrage en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Appellant heeft recht op een maandelijkse tegemoetkoming in de woninghuur gelijk aan het verschil tussen de huur en de eigen bijdrage.