ECLI:NL:CRVB:2015:3724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
27 oktober 2015
Zaaknummer
14/753 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke financiële situatie

Appellant vroeg op 22 januari 2013 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit bankafschriften bleek dat appellant in de periode januari 2012 tot maart 2013 regelmatig betalingen ontving van een derde, R, ter waarde van €22.205,-.

Appellant stelde dat deze betalingen het gevolg waren van afpersing en verwees naar een eerder vonnis waarin hij was veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting, maar deze verweer werd verworpen omdat de betalingen betrekking hadden op een andere periode dan het vonnis. De omschrijvingen op de bankafschriften wezen op verrichte werkzaamheden, wat niet overeenkwam met de verklaring van appellant.

De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting en onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.

Uitspraak

14/753 WWB
Datum uitspraak: 27 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
18 december 2013, 13/3406 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2015. Voor appellant is
mr. Bakker verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft zich op 22 januari 2013 gemeld om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen.
1.2.
In het kader van de beoordeling van het recht op bijstand heeft de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht appellant verzocht om bankafschriften over te leggen. Op deze afschriften is te zien dat appellant in de periode in geding regelmatig betalingen ontving van [naam] (R). Uit een overzicht dat appellant en R op 27 maart 2013 hebben opgesteld, blijkt dat appellant in de periode van januari 2012 tot en met maart 2013 in totaal € 22.205,- van R heeft ontvangen.
1.3.
Bij besluit van 5 april 2013 (besluit 1) heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat niet gebleken is dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Bij besluit van eveneens 5 april 2013 (besluit 2) heeft het college het verstrekte voorschot van
€ 800,- van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 14 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de melding om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 22 januari 2013 tot en met 5 april 2013.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat hij inmiddels open kaart heeft gespeeld nu hij heeft toegegeven dat hij door afpersing geld van R heeft verkregen, zodat het niet om geleend geld ging. Hij verwijst naar het vonnis van de politierechter van 19 december 2012 en stelt hiermee te hebben aangetoond hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Die grond treft geen doel. Uit dit vonnis blijkt namelijk dat appellant is veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting van R, gepleegd in de periode van september 2010 tot en met augustus 2011. De betalingen van R aan appellant die hier aan de orde zijn, hebben betrekking op een andere periode, namelijk op de periode direct voorafgaand aan, en ten tijde van, de bijstandsaanvraag.
4.4.
Voorts duiden de omschrijvingen van de betalingen door R, zoals deze zijn te zien op de bankafschriften van appellant, op verrichte werkzaamheden. Zo wordt regelmatig melding gemaakt van factuurbetalingen, betalingen naar aanleiding van contracten en betalingen van transportkosten. Deze omschrijvingen komen niet overeen met de verklaring van appellant over het motief voor de betalingen. De stelling dat R deze omschrijvingen gebruikte opdat zijn vrouw niets zou merken, heeft appellant niet onderbouwd.
4.5.
Uit 4.3 en 4.4 volgt dat appellant niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële situatie en de op hem rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren is nagekomen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
4.6.
Tegen de terugvordering van het verstrekte voorschot zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze buiten bespreking blijft.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C. Moustaïne

HD