ECLI:NL:CRVB:2015:3724
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke financiële situatie
Appellant vroeg op 22 januari 2013 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat niet was gebleken dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Uit bankafschriften bleek dat appellant in de periode januari 2012 tot maart 2013 regelmatig betalingen ontving van een derde, R, ter waarde van €22.205,-.
Appellant stelde dat deze betalingen het gevolg waren van afpersing en verwees naar een eerder vonnis waarin hij was veroordeeld voor valsheid in geschrifte en oplichting, maar deze verweer werd verworpen omdat de betalingen betrekking hadden op een andere periode dan het vonnis. De omschrijvingen op de bankafschriften wezen op verrichte werkzaamheden, wat niet overeenkwam met de verklaring van appellant.
De Raad oordeelde dat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting en onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.