ECLI:NL:CRVB:2015:3721

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 oktober 2015
Publicatiedatum
27 oktober 2015
Zaaknummer
14-4790 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellant heeft op 23 januari 2013 een aanvraag ingediend voor bijstand met als gewenste ingangsdatum 9 april 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer kende bijstand toe vanaf 4 januari 2013, de datum waarop appellant zich bij het UWV had gemeld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep betoogde appellant dat bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak geen recht bestaat op bijstand vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

De Raad stelde vast dat appellant zich niet eerder had gemeld of actie had ondernomen richting UWV of het college die tot een eerdere aanvraag hadden moeten leiden. Ook was niet aannemelijk dat appellant door zijn medische toestand niet eerder kon aanvragen. De enkele stelling van emotionele uitputting en depressieve klachten was onvoldoende. Het gebrek aan vertrouwen in vertegenwoordiging door derden was voor rekening en risico van appellant.

Daarom slaagde het hoger beroep niet en werd de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

14/4790 WWB
Datum uitspraak: 27 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
16 juli 2014, 14/862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D. Tijl.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 23 januari 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de
Wet werk en bijstand (WWB) met als gewenste ingangsdatum 9 april 2010.
1.2.
Bij besluit van 17 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college appellant vanaf 4 januari 2013, de datum waarop appellant zich heeft gemeld bij het UWV Werkbedrijf (Uwv), bijstand toegekend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Zoals ter zitting besproken, is het geschil beperkt tot de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 43 en Pro 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat appellant met ingang van een vóór de melding op
4 januari 2013 gelegen datum bijstand wordt verstrekt. Niet is gebleken dat appellant zich al op een eerder moment voor bijstand heeft gemeld of op enigerlei wijze actie in de richting van het Uwv of het college heeft ondernomen die tot het innemen van een daartoe strekkende aanvraag had moeten leiden. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat appellant buiten staat was tot het doen van een eerdere melding of het eerder indienen van een aanvraag. De enkele stelling van appellant dat hij emotioneel uitgeput was in verband met procedures tegen het Uwv en depressieve klachten had, is hiertoe ontoereikend. Niet gebleken is dat appellant als gevolg van zijn medische toestand niet eerder in staat was een aanvraag in te dienen, of daartoe de hulp van een derde in te roepen. De omstandigheid dat appellant, in verband met onbevredigende resultaten in het verleden, een gebrek aan vertrouwen heeft in vertegenwoordiging door een derde, moet voor zijn rekening en risico blijven.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) R.G. van den Berg

HD