ECLI:NL:CRVB:2015:3675

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 oktober 2015
Publicatiedatum
22 oktober 2015
Zaaknummer
14-2159 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wubo
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek op grond van onvoldoende objectieve bevestiging oorlogservaringen Wubo

Appellant, geboren in 1937 in voormalig Nederlands-Indië, diende in 2008 een gecombineerde aanvraag in voor voorzieningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De aanvraag op grond van de Wubo werd in 2009 afgewezen wegens het ontbreken van bevestiging van de door appellant genoemde gebeurtenissen.

Na een afwijzing van een herzieningsverzoek in 2013, diende appellant opnieuw een verzoek in om het eerdere besluit te herzien. De Raad beoordeelde of nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die het eerdere besluit in een nieuw licht plaatsten. Hoewel appellant nieuwe gebeurtenissen aanvoerde, waaronder een confrontatie met extreem geweld jegens een baby tijdens een huiszoeking, ontbrak elke objectieve bevestiging hiervan buiten zijn eigen verklaring.

De Raad oordeelde dat de eigen verklaring zonder ondersteunend bewijs onvoldoende is om aan te nemen dat de ervaringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Mogelijke getuigen waren inmiddels overleden. Ondanks het indringende relaas van appellant erkent de Raad dat hij een moeilijke oorlogstijd heeft doorgemaakt, maar voor erkenning als getroffene is objectieve bevestiging vereist.

Het beroep van appellant is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve bevestiging van de door appellant opgevoerde oorlogservaringen.

Uitspraak

14/2159 WUBO
Datum uitspraak: 22 oktober 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Verenigde Staten (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 februari 2014, kenmerk BZ01637739 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door L.N. Loman-Wagenmakers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren in 1937 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in 2008 een gecombineerde aanvraag ingediend om voorzieningen krachtens de Wubo en de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Wat betreft de Wubo is op 5 maart 2009 afwijzend op deze aanvraag beslist, dit omdat de door appellant genoemde gebeurtenissen niet onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht, dan wel dat daar geen bevestiging van is verkregen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd op 17 juli 2009. Appellant heeft geen beroep ingesteld.
1.2.
In september 2012 heeft appellant verzocht om herziening van de onder 1.1 genoemde afwijzing. Bij besluit van 16 mei 2013 is dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Vooropgesteld wordt dat appellant al sinds lang niet meer de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat hij niet behoort tot de kring van rechthebbenden van de Wubo. Reeds om die reden komt hij in beginsel niet in aanmerking voor voorzieningen op grond van die wet. De door appellant beschreven oorlogservaringen zijn door verweerder wel nader bekeken, maar dat is primair gebeurd in het licht van zijn wens tot erkenning als getroffene door oorlogsgeweld in de zin van de wet.
2.2.
Thans ligt voor de afwijzing van het verzoek aan verweerder om van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd om een besluit in het voordeel van de betrokkene te herzien. De vraag die in dat kader moet worden beantwoord, is de vraag of appellant feiten en omstandigheden in het geding heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van zijn eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.3.
Appellant heeft een aantal gebeurtenissen genoemd die in het kader van zijn aanvraag uit 2008 nog niet ter sprake waren geweest. Voor enkele van die gebeurtenissen, zoals de confrontatie met extreem geweld jegens een baby tijdens een huiszoeking, geldt dat deze in beginsel onder de werking van de Wubo zouden kunnen worden gebracht. Voor deze gebeurtenissen geldt echter dat daarvan, buiten de eigen verklaring van appellant, geen enkele bevestiging is verkregen. Mogelijke getuigen zijn inmiddels overleden. De eigen verklaring van een betrokkene, zonder dat deze door andere bewijzen wordt ondersteund, wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad als onvoldoende beschouwd om te kunnen aannemen dat de door de betrokkene gestelde ervaringen inderdaad hebben plaatsgevonden.
2.4.
Het overwogene onder 2.3 betekent dat verweerder het herzieningsverzoek van appellant heeft mogen afwijzen. Benadrukt wordt dat daarmee niet is gezegd dat appellant niet wordt geloofd. Voor erkenning als getroffene door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo is echter een zekere mate van objectieve bevestiging benodigd. Dat gegeven doet er vanzelfsprekend niet aan af dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad indringend heeft beschreven, als kind in de oorlogsjaren een buitengewoon moeilijke en angstige tijd moet hebben doorgemaakt.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.S. Boomhouwer

HD