Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 maart 2014 ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte als juridisch medewerker en ontving een loongerelateerde WIA-uitkering. Het UWV stelde aanvankelijk de uitkering te laag vast, maar corrigeerde dit later omdat de uitkering feitelijk te hoog was vanwege hogere inkomsten van appellant. De rechtbank oordeelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen beseffen dat de uitkering te hoog was vastgesteld.
Appellant voerde aan dat het UWV niet mocht terugkomen op het eerdere besluit vanwege het vertrouwensbeginsel, omdat het besluit van 22 juni 2012 een ondubbelzinnige toezegging bevatte. De Raad stelde echter vast dat geen sprake was van een uitdrukkelijke, onvoorwaardelijke toezegging die gerechtvaardigde verwachtingen wekte.
De Raad bevestigde dat het UWV de uitkering terecht met terugwerkende kracht heeft herzien, omdat appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat de uitkering te hoog was. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de herziening van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.