Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:363

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2015
Publicatiedatum
11 februari 2015
Zaaknummer
13-2331 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor advocaatkosten executieprocedure in België

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor advocaatkosten van €755,04, gemaakt in een executieprocedure in België. Het college van burgemeester en wethouders van Maastricht wees de aanvraag af omdat de kosten buiten Nederland zijn gemaakt en het territorialiteitsbeginsel van de WWB bijstandsverlening buiten Nederland uitsluit.

De rechtbank Limburg verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat de kosten voortkomen uit een Nederlandse procedure en dat zeer dringende redenen aanwezig zijn, omdat zij door het betalen van deze kosten in een acute financiële noodsituatie verkeerde.

De Raad oordeelde dat het territorialiteitsbeginsel inderdaad uitsluit dat kosten buiten Nederland worden vergoed, ook al vloeien deze voort uit een Nederlandse procedure. De door appellante aangevoerde omstandigheden voldeden niet aan de strenge criteria van een acute noodsituatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel faalde vanwege gebrek aan bewijs en de rechtvaardiging van het territorialiteitsbeginsel.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor advocaatkosten in België bevestigd.

Uitspraak

13/2331 WWB
Datum uitspraak: 10 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
22 maart 2013, 12/1680 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante]te [woonplaats](appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.H.C. Hocks, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Voor appellante is
mr. E. Meuwissen, kantoorgenote van mr. Hocks, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.J.M. Kalmar.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 4 mei 2012 heeft appellante een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) gedaan voor advocaatkosten inzake een executieprocedure in België tot een bedrag van € 755,04.
1.2.
Bij besluit van 5 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 september 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand was gevraagd zich buiten Nederland hebben voorgedaan en het aan de WWB ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel aan bijstandsverlening buiten Nederland in de weg staat. Het college heeft in wat door appellante is aangevoerd voorts geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, gezien om over te gaan tot bijstandsverlening.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft in de eerste plaats aangevoerd dat is voldaan aan het territorialiteitsbeginsel, aangezien de kosten waarvoor zij bijzondere bijstand heeft gevraagd betrekking hebben op een Nederlandse procedure. Subsidiair is sprake van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de WWB. Doordat appellante het achterstallige loon, dat zij via de executieprocedure alsnog heeft ontvangen, moest aanwenden voor het voldoen van de juridische kosten, ontstond een acute noodsituatie. Appellante kon de leningen die zij had afgesloten om te voorzien in haar levensonderhoud in de periode waarin zij geen loon ontving, niet aflossen als gevolg waarvan haar beslaglegging op haar inboedel boven het hoofd hing. Ten slotte doet appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5967) sluit het aan de WWB ten grondslag liggende territorialiteitsbeginsel de mogelijkheid tot bijstandsverlening uit ten aanzien van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de in geding zijnde kosten buiten Nederland zijn opgekomen. Weliswaar vloeien die kosten voort uit een in Nederland gevoerd arbeidsrechtelijk geding, maar de kosten hebben betrekking op de executie van het Nederlandse vonnis in België.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB zich voor indien sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch- of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De door appellante genoemde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een acute noodsituatie als hierboven bedoeld.
4.3.
Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel ziet op een beweerdelijk
mondelinge toezegging van een medewerker van de gemeente Maastricht dat de in België gemaakte kosten via de bijzondere bijstand voor vergoeding in aanmerking zouden komen. De gedingstukken bieden echter geen enkel aanknopingspunt voor een dergelijke toezegging, nog daargelaten of het ging om een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van een bevoegde ambtenaar.
4.4.
Voor zover appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel doet in die zin dat verboden onderscheid wordt gemaakt tussen diegenen die een vonnis in Nederland kunnen executeren en diegenen die dat in het buitenland moeten doen, slaagt dit beroep niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de rechtvaardiging nu juist is gebaseerd op het in de WWB verankerde territorialiteitsbeginsel. De in hoger beroep aangevoerde beroepsgronden, die neerkomen op een herhaling van wat in beroep naar voren is gebracht, leiden niet tot een ander oordeel.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2015.
(getekend) M. Hillen
(getekend) C.M. Fleuren

HD