ECLI:NL:CRVB:2015:3619
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ontslag militair na onvoldoende opleiding
Verzoeker, militair in opleiding tot officier, werd na een onvoldoende beoordeling in zijn derde opleidingsjaar ontheven uit zijn functie en voorgedragen voor ontslag. De minister verleende op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder h, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (Amar) ontslag met ingang van 1 augustus 2015.
Verzoeker maakte bezwaar tegen het ontslagbesluit en stelde dat de minister onvoldoende inspanningen had verricht om hem te herplaatsen binnen de krijgsmacht. Tevens stelde hij dat de opzegtermijn van een maand niet was gerespecteerd. De rechtbank wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het ontslagbesluit rechtmatig was. De minister had de ontslagtermijn correct in acht genomen, en er was geen sprake van een ondubbelzinnige toezegging tot voortzetting van het dienstverband. De mogelijkheid tot herplaatsing was besproken, maar verzoeker had daarvan afgezien. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van verzoeker wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.