ECLI:NL:CRVB:2015:3608
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging toeslag en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand met een toeslag van 20% als alleenstaande ouder. Vanaf 18 juli 2012 stond een persoon ingeschreven op haar adres, wat zij niet tijdig of correct aan het bijstandverlenend orgaan heeft doorgegeven. Het college van burgemeester en wethouders verlaagde daarom de toeslag naar 14% en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug.
Appellante voerde aan dat de persoon niet bij haar inwoonde in de betwiste periode en dat zij het college wel tijdig had geïnformeerd. De Raad stelde vast dat de persoon feitelijk vanaf 18 juli 2012 bij appellante woonde, ook al had deze geen vaste woonplaats en sliep hij aanvankelijk op de bank. Het standpunt van appellante in hoger beroep was niet onderbouwd met objectieve gegevens.
De Raad oordeelde dat het niet uitmaakt of de woonkosten daadwerkelijk werden gedeeld, maar of het redelijk is dat deze gedeeld konden worden. Ook het ontbreken van toestemming van de verhuurder was niet relevant voor de feitelijke inwoning.
De Raad verwierp het beroep tegen de verlaging van de toeslag, de terugvordering en de opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de toeslag en terugvordering bijstand worden bevestigd.