ECLI:NL:CRVB:2015:3518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen detentie zonder verwijtbaarheid
Appellant ontving sinds augustus 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 19 juli 2013 in, omdat appellant gedurende de periode van 19 juli tot 19 september 2013 gedetineerd was geweest en dit niet had gemeld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat het intrekkingsbesluit onzorgvuldig tot stand was gekomen, dat er geen hoorzitting had plaatsgevonden en dat hem geen verwijt kon worden gemaakt omdat hij niet in staat was de detentie te melden.
De Raad oordeelde dat het college voldoende gelegenheid had geboden tot hoor en wederhoor en dat de adressering van het intrekkingsbesluit geen invloed had op de besluitvorming. Verder is artikel 17, eerste lid, van de WWB een objectieve verplichting waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt bij intrekking. Appellant had zijn detentie moeten melden en had niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk was.
Het college was daarom verplicht de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet melden van detentie wordt bevestigd.