ECLI:NL:CRVB:2015:3411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand na erfenis zonder dringende redenen
Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Tholen heeft bij besluit van januari 2013 de gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd over de periode juni 2009 tot mei 2010, omdat appellante in 2012 een erfenis van ruim €13.000 ontving van haar vader die in juni 2009 overleed.
Het college heeft het terugvorderingsbedrag later verlaagd vanwege een lager vermogen dan aanvankelijk berekend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het college in redelijkheid geen terugvordering had mogen doen, omdat zij het geld nodig heeft als spaargeld en vanwege haar ongeschiktheid voor de arbeidsmarkt en haar zorgtaken.
De Raad oordeelt dat het college een redelijke beleidslijn volgt waarbij terugvordering plaatsvindt tenzij bijzondere of dringende redenen aanwezig zijn. De omstandigheden van appellante, waaronder haar wens om spaargeld op te bouwen en haar persoonlijke situatie, vormen geen dringende redenen. Ook de zorg voor haar ouders en haar arbeidsongeschiktheid leiden niet tot bijzondere omstandigheden die terugvordering uitsluiten.
De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstandskosten wordt bevestigd.