ECLI:NL:CRVB:2015:3403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over woonadres
Appellante vroeg bijstand aan na het verlaten door haar echtgenoot en gaf daarbij verschillende woonadressen op. Zij meldde aanvankelijk een adres, maar gaf later aan te zijn verhuisd naar het adres van haar zoon, waar zij zich ook inschreef. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand per 14 november 2013 in omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door schending van de inlichtingenverplichting.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij feitelijk nooit op het nieuwe adres had gewoond en dat er sprake was van spraakverwarring, maar de Raad oordeelde dat de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag boden voor het standpunt van het college.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door onjuiste informatie te verstrekken over haar woonadres. Zij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat zij recht op bijstand had gehad als zij wel de juiste informatie had verstrekt. Ook de bezwaren tegen het huisbezoek en het verhoor werden verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 14 november 2013 wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting over het woonadres.