ECLI:NL:CRVB:2015:3350
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk
Appellant was werkzaam als algemeen medewerker en meldde zich ziek wegens schouder- en psychische klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk en daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen correct waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige had het werk van appellant als maatgevende arbeid vastgesteld en het UWV had terecht geoordeeld dat appellant geschikt was voor dit werk.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was en dat onduidelijkheid bestond over zijn werkzaamheden. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het medisch onderzoek was adequaat en de arbeidsdeskundige had de werkzaamheden voldoende inzichtelijk gemaakt. Het hoger beroep werd verworpen en de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.