ECLI:NL:CRVB:2015:3234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- R.E. Bakker
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering ondanks CVS-klachten
Appellant, sinds 1993 arbeidsongeschikt wegens diverse klachten waaronder psychische en rugproblemen, ontvangt sinds 1994 een WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. Na diverse functies te hebben vervuld, stopte appellant in 2010 met werken vanwege concentratie- en moeheidsklachten.
Het UWV stelde in 2012 de WAO-uitkering ongewijzigd vast, wat door appellant werd bestreden met het argument dat zijn Chronisch Vermoeidheidssyndroom (CVS) onvoldoende was meegewogen, met name dat een urenbeperking had moeten worden toegepast. De rechtbank Gelderland verwierp dit beroep, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende objectief-medische gegevens had geleverd ter onderbouwing van zijn standpunt.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, verwijzend naar de erkenning van CVS als ziekte door de WHO. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een diepgaand en zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij de vermoeidheidsklachten als gevolg van CVS waren meegenomen. De medische rapporten boden geen aanleiding tot het aannemen van extra beperkingen of een urenbeperking.
De Raad onderschreef de conclusies van de verzekeringsartsen en stelde vast dat appellant niet met voldoende medische gegevens zijn standpunt had onderbouwd. De Raad bevestigde dat appellant terecht in staat werd geacht de geselecteerde functies te vervullen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt ongewijzigd vastgesteld zonder urenbeperking ondanks CVS-klachten.