Uitspraak
13 mei 2014, 14/526 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) sinds augustus 2010. Tijdens een rechtmatigheidsonderzoek bleek dat zij drie bankrekeningen niet had opgegeven aan het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het college verzocht haar meerdere malen om bankafschriften over te leggen, maar appellante leverde deze niet volledig aan.
Het college schortte de bijstand op en trok deze later in op grond van artikel 54, vierde lid, WWB. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet wist welke stukken ontbraken en dat zij niet tijdig kon beschikken over de gevraagde gegevens.
De Raad oordeelde dat de gevraagde bankafschriften relevant zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de bijstand. Appellante had niet aannemelijk gemaakt dat zij niet binnen de hersteltermijn over de ontbrekende stukken kon beschikken. Ook was niet gebleken dat zij erop mocht vertrouwen dat zij de gevraagde gegevens volledig had overgelegd. Daarom was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet tijdig en volledig verstrekken van bankafschriften wordt bevestigd.