ECLI:NL:CRVB:2015:3090

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2015
Publicatiedatum
11 september 2015
Zaaknummer
14-3079 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuw feiten en niet vervulde wachttijd

Appellante verzocht het UWV om toekenning van een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid die zou zijn ontstaan vóór haar 17e verjaardag. Het oorspronkelijke besluit uit 2000 wees deze aanvraag af, waarbij werd vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid niet doorlopend vanaf het 17e jaar bestond. Latere aanvragen in 2005 en 2007 werden eveneens afgewezen, zonder dat er nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.

In 2013 diende appellante een nieuwe aanvraag in, ondersteund door medische rapporten en een brief van de Dienst Werk en Inkomen. Het UWV bleef bij haar standpunt dat de beperkingen niet samenhangen met de oorspronkelijke aandoening en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet gewijzigd kon worden. Ook het bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aangeleverde stukken geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De medische rapporten ondersteunden niet dat de arbeidsongeschiktheid al vóór het 17e jaar bestond. Tevens was de wettelijke wachttijd voor toekenning van de uitkering niet vervuld. De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

14/3079 WAJONG
Datum uitspraak: 31 augustus 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2014, 13/3418 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. dr. E. Tahitu, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante, geboren [in] 1961, heeft op 16 mei 2000 het Uwv verzocht haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten toe te kennen wegens al vóór haar 17e verjaardag (24 november 1978) bestaande gewrichtsklachten. De aanvraag van appellante is afgewezen bij besluit van 3 november 2000; daarbij is verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante arbitrair vastgesteld op 1 januari 2000. Volgens de verzekeringsarts heeft appellante weliswaar sinds haar vroege jeugd klachten van het bewegingsapparaat, maar kan niet worden gesproken van een vanaf het 17e jaar doorlopend onvermogen van appellante om het minimumloon te verdienen. De beperkingen van appellante zijn met name toegenomen gedurende de laatste jaren voorafgaande aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 16 oktober 2000. Daarom voldoet appellante niet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) te worden beschouwd. Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 3 november 2000. Dit besluit is daarom in rechte onaantastbaar geworden.
1.2.
Vervolgens heeft appellante in 2005 en in 2007 het Uwv opnieuw verzocht om haar een Wajong-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 25 april 2005 respectievelijk 6 juni 2008 heeft het Uwv afwijzend beslist op deze aanvragen. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die ertoe nopen om terug te komen van het besluit van 3 november 2000. Deze besluiten hebben stand gehouden, zowel na bezwaar als beroep. Appellante heeft in deze procedures geen hoger beroep ingesteld.
1.3.
Op 8 januari 2013 heeft appellante het Uwv wederom verzocht om haar in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. Daarbij heeft zij een rapport overgelegd van 2 november 2012 van reumatoloog P.M. Hellmann en een brief van 12 oktober 2012 van de Dienst Werk en Inkomen (DWI).
1.4.
Bij besluit van 31 januari 2013 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van
8 januari 2013, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts. Volgens deze verzekeringsarts blijkt uit het rapport van reumatoloog Hellmann dat de beperkingen die appellante ondervindt niet in verband staan met de streptokokkeninfectie die appellante in 1970 heeft doorgemaakt. De beperkingen die appellante ten tijde van de eerste aanvraag in 2000 had, zijn daarom passend bij een nieuw of ander ziektebeeld. Voorts is er geen grond om de eerder voor appellante vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 januari 2000 te wijzigen en is er geen reden om terug te komen van het besluit van 3 november 2000.
1.5.
Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 3 juni 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de aangevoerde argumenten en overgelegde stukken geen aanleiding gezien om terug te komen van het besluit van 3 november 2000.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar rapporten van 15 maart 2002 van huisarts M. Buijtendijk en van 6 september 2000 van reumatoloog D. van Schaardenburg, aangevoerd dat zij door de gevolgen van haar acuut reuma in 1970 met endocarditis en chorea minor al vóór haar 17e verjaardag arbeidsongeschikt was. Ook blijkt dit volgens appellante uit de door haar in bezwaar overgelegde brief van R.J.A. Worp, die haar onderwijs heeft gegeven op de lagere school in de jaren 1971 tot 1974. Voorts stelt appellante dat het Uwv haar dossier onvoldoende zorgvuldig heeft bestudeerd en dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten nadere informatie in te winnen bij de behandelende sector.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante met haar aanvraag van 8 januari 2013 het Uwv heeft verzocht om terug te komen van het besluit van 3 november 2000, waarbij het Uwv afwijzend had beslist op de aanvraag van appellante om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten per 24 november 1979.
4.2.
Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering, naar zijn strekking worden beoordeeld.
4.3.
In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze een dergelijke aanvraag door de aanvrager moet worden onderbouwd en door het Uwv moet worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.
4.4.
Ter ondersteuning van haar aanvraag heeft appellante, onder verwijzing naar onder andere het rapport van reumatoloog Hellmann, gesteld dat zij al sinds haar 17e jaar beperkt is voor het verrichten van arbeid als gevolg van een doorgemaakt acuut reuma. De aanvraag van appellante van 8 januari 2013 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij besluit van 3 november 2000 heeft beslist. Nu appellante stelt nog steeds veel last te hebben van haar klachten, is deze aanvraag er kennelijk op gericht dat het Uwv zowel voor de periode voorafgaand aan de aanvraag van 8 januari 2013 als voor de periode erna terugkomt van dit besluit. Een Wet Amber-beoordeling is in deze zaak niet aan de orde, nu de Wet Amber eerst met ingang van 29 december 1995 in werking is getreden. Vastgesteld moet worden dat het Uwv de aanvraag van appellante niet heeft beoordeeld als een verzoek om uitkering voor de periode na de aanvraag van 8 januari 2013. Er zijn echter voldoende gegevens beschikbaar om tot een eindoordeel te komen.
4.5.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat appellante heeft vermeld bij haar aanvraag en in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de stukken die appellante bij haar aanvraag heeft gevoegd geen nieuw licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante rond haar 17e en 18e jaar. Volgens de verzekeringsartsen zijn in het rapport van reumatoloog Hellmann en in de brief van de DWI geen aanknopingspunten te vinden voor de opvatting dat appellante op haar 17e jaar arbeidsongeschikt was. Uit het rapport van reumatoloog Hellmann blijkt dat de beperkingen die appellante nu ondervindt niet in verband staan met de infectie die appellante in 1970 heeft doorgemaakt. De brief van de DWI bevat geen objectief medische informatie over de gezondheidstoestand van appellante op haar 17e verjaardag, 24 november 1978. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat aan de brief van onderwijzer Worp geen betekenis kan worden toegekend, nu bij de opsteller ervan geen medische deskundigheid mag worden verondersteld. De door appellante in hoger beroep aangehaalde rapporten van huisarts Buijtendijk en reumatoloog Van Schaardenburg geven geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank voor onjuist te houden. Deze rapporten zijn al betrokken bij de beoordeling van de aanvraag van appellante in 2000 respectievelijk 2005. Deze stukken, noch het erin vervatte oordeel, zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om het verzoek van appellante af te wijzen om terug te komen van het besluit van 3 november 2000 voor wat betreft het verleden en daarbij toepassing te geven aan artikel 4:6 van Pro de Awb. De uitoefening van die bevoegdheid heeft op juiste wijze plaatsgevonden.
4.6.
Toekenning voor de toekomst van een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor jonggehandicapten, dus met ingang van de datum van de aanvraag, 8 januari 2013, is evenmin mogelijk. Vast staat dat appellante de wettelijke wachttijd om voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking te komen, niet heeft vervuld.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2015.
(getekend) P.H. Banda
(getekend) I. Mehagnoul

UM