ECLI:NL:CRVB:2015:2987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor maatregel
Appellant ontvangt bijstand sinds 2004 en werd in 2013 geconfronteerd met een verlaging van zijn bijstand wegens vermeende weigering van werk bij een bedrijf in Venlo. Het college stelde aanvankelijk dat appellant het werk had geweigerd, maar wijzigde dit standpunt later naar onvoldoende medewerking door een ongemotiveerde houding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de verlaging.
In hoger beroep stelt appellant dat er geen concreet werkaanbod was en dat hij onvoldoende geïnformeerd was over de aard en locatie van het werk, mede vanwege zijn rugklachten. De Raad oordeelt dat een ongemotiveerde houding niet voldoende is om te concluderen dat appellant onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening, zeker omdat er geen concreet aanbod was. De maatregel is daarom niet gegrond.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, herroept de verlaging en bepaalt dat appellant volledige bijstand moet ontvangen over januari 2013. Tevens wordt het college veroordeeld tot het betalen van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot verlaging van de bijstand vernietigd en volledige bijstand met wettelijke rente toegewezen.