ECLI:NL:CRVB:2015:2983

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2015
Publicatiedatum
3 september 2015
Zaaknummer
15/3029 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 31 WWBArt. 34 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten na diefstal

Appellant, bijstandsgerechtigde sinds 2013, vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten van €1.200,- na diefstal van zijn oude inrichting in april 2011. Het college wees de aanvraag af omdat appellant volgens hen voor deze kosten had kunnen reserveren uit zijn bijstandsinkomen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet had kunnen reserveren vanwege de plotselinge diefstal en het feit dat hij een periode geen bijstand ontving. Ook kon hij nauwelijks sparen en had hij geen mogelijkheden om te lenen.

De Raad overwoog dat bijzondere bijstand alleen wordt toegekend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden waardoor betaling uit de bijstandsnorm en beschikbare middelen niet mogelijk is. Aangezien appellant sinds 2008 met onderbrekingen bijstand ontving en de diefstal in 2011 plaatsvond, had hij vanaf dat moment kunnen reserveren. Hij maakte niet aannemelijk dat dit niet mogelijk was of dat lenen onmogelijk was.

Daarom slaagde het hoger beroep niet en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon reserveren of lenen.

Uitspraak

15/3029 WWB
Datum uitspraak: 1 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
26 maart 2015, 14/6472 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2015. Namens appellant is
mr. Maduro verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt laatstelijk sinds 24 augustus 2013 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 4 februari 2014 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor inrichtingskosten voor een bedrag van € 1.200,-.
1.2.
Na de aanvraag aanvankelijk buiten behandeling te hebben gesteld, heeft het college bij de beslissing op bezwaar van 8 augustus 2014 (bestreden besluit) de aanvraag afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in
artikel 35, eerste lid, van de WWB. Appellant had voor de kosten kunnen reserveren.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de kosten in geding voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellant heeft niet kunnen reserveren, omdat hij door diefstal van zijn inrichting plotseling met deze kosten is geconfronteerd en hij een periode geen bijstand heeft ontvangen. Bovendien kan nauwelijks gespaard worden van bijstand. Mogelijkheden om te lenen heeft appellant als bijstandsgerechtigde evenmin.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij
artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
4.2.
Het gaat hier om kosten die, indien zij noodzakelijk zijn, gerekend worden tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Daarvoor wordt alleen bijzondere bijstand verleend indien de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat die kosten niet uit de algemene bijstand en de aanwezige draagkracht kunnen worden voldaan.
4.3.
Appellant ontving vanaf 2008 met onderbrekingen bijstand. Zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld, vond de door appellant gestelde diefstal van zijn oude inrichting plaats in 2011 en wel in april 2011. Appellant had dan ook vanaf dat moment voor de kosten van een nieuwe inrichting kunnen reserveren. Het uitgangspunt verwoord in 4.2 is dat een inkomen op bijstandsniveau geacht wordt hiervoor ruimte te bieden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval wegens bijzondere omstandigheden anders is. Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij voor de kosten geen lening kon afsluiten.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) C. Moustaïne

HD