ECLI:NL:CRVB:2015:2966

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 september 2015
Publicatiedatum
1 september 2015
Zaaknummer
12/2183 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:26 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens overlijden appellant zonder opvolging

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht. Tijdens de procedure is appellant overleden. Het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft de Raad geïnformeerd over het overlijden en dat geen erfgenamen bekend zijn die het geding willen voortzetten.

Ondanks oproepen in de Staatscourant en correspondentie naar het laatstbekende adres van appellant, hebben zich geen belanghebbenden gemeld om als partij deel te nemen. De gemachtigde van appellant heeft zich uit de zaak teruggetrokken vanwege onbekendheid met eventuele familie.

De Raad heeft het procesverloop zorgvuldig gevolgd, inclusief een eerdere tussenuitspraak en nadere besluitvorming door het college. Uiteindelijk is geconcludeerd dat het procesbelang is komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van opvolging na het overlijden van appellant.

Uitspraak

12/2183 WWB, 15/3403 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van
7 maart 2012, 11/1403
Partijen:
wijlen [appellant] , in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. O.T.J.A. Kicken, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat, heeft zich gesteld als opvolgend gemachtigde van appellant.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Namens appellant is
mr. Jacquemard verschenen. Het college, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Dekker.
Na de zitting is het onderzoek heropend om informatie in te winnen bij het college.
Het college heeft bij brief van 24 februari 2014 antwoord gegeven op de gestelde vragen.
Namens appellant heeft mr. Jacquemard bij brief van 15 april 2014 een reactie gegeven.
Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
Bij de tussenuitspraak van 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2765 heeft de Raad het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Bij beslissing op bezwaar van 13 april 2015 (nadere besluit), gewijzigd bij beslissing van
22 april 2015, heeft het college uitvoering gegeven aan deze opdracht.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer van de Raad.
Het college heeft de Raad bij brief van 6 oktober 2014 bericht dat appellant op 19 maart 2014 is overleden. Desgevraagd heeft het college, na raadpleging van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, de Raad medegedeeld dat niet bekend is wie de erven van appellant zijn of kunnen zijn.
Mr. Jacquemard heeft de Raad bericht dat hem niet bekend is of appellant familie of verwanten heeft en dat hij zich als gemachtigde aan deze zaak onttrekt.
Op de brief van de Raad van 23 oktober 2014 gericht aan de erven van appellant en gestuurd naar het laatstbekende adres van appellant in [woonplaats] is, ook na rappelbrief van 24 november 2014, geen reactie gekomen. Evenmin is gebruik gemaakt van de gelegenheid om een reactie te geven op het nadere besluit, dat eveneens is gestuurd is naar genoemd adres.
Vervolgens is, gelet op artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in de Staatscourant mededeling gedaan van de nadere behandeling van de zaak op de zitting van
21 juli 2015.
De zaak is ter verdere behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 juli 2015. Van de zijde van appellant is niemand verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De indiener van het hoger beroep, appellant, is overleden. Niet is gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en het geding zouden willen voortzetten. Ook na de oproep in de Staatscourant hebben zich geen belanghebbenden gemeld met het verzoek als partij aan het geding deel te mogen nemen. Dit brengt mee dat het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen. Het hoger beroep zal om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2015.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) C.M. Fleuren

HD